Paardrijden op Inishbofin

Verscholen achter de horizon ligt 8 kilometer van de Ierse westkust het eiland Inishbofin. Het eiland is bijna onbewoond; de gemeenschap telt slechts 200 mensen. Op een eiland van bijna 6 kilometer lang en 3 kilometer breed laat dat genoeg ruimte over voor weilanden, akkers, en ongebruikte stukken land. Met goed weer ziet Inishbofin er dan ook uit als een plaatje uit een natuurdocumentaire. De blauwe lucht kleurt het water bijna zo blauw als zichzelf, en dat maakt een mooi contrast met het land dat groen, geel, oranje, en bruin is.

Inishbofin Island

Je kunt er komen door de pont te nemen vanuit Cleggan, een klein vissersdorpje in het natuurgebied Connemara. De pont gaat een paar keer per dag en de oversteek duurt zo’n 30 minuten. Het toerisme op Inishbofin is nog vrij bescheiden. Aan het begin van de pier hangt een bord met fietsroutes. Er hangen ook een paar reclameborden van onder andere de plaatselijke manege. Veel commerciëler wordt het niet. Er zijn geen pinautomaten en maar weinig terrasjes.

Inishbofin Island

Vijf minuten ten westen van de pier zit een kleine supermarkt voor de dagelijkse noodzakelijkheden. Grote boodschappen worden gedaan op het vasteland. De manege verderop, de Inishbofin Equestrian Centre, biedt trektochten te paard, of eigenlijk te pony. De manege houdt Connemara pony’s: een type pony die in dit gebied van Ierland ook in het wild voorkomt. De trektochten kunnen kort of lang duren, afhankelijk van de ruiters’ vaardigheden, en gaan gepaard met vertellingen van interessante feiten of lokale legendes. Toen ik Inishbofin bezocht, ging ik voor zo’n tochtje te paard, of een ‘trek’, zoals dat daar genoemd werd.

Omdat ik van het beginnersniveau ben kon ik een tocht van een uurtje boeken. Langere tochten waren alleen voor gevorderden. Mijn toegewezen pony was Peggy, een schimmel van gemiddelde hoogte en een beetje sloom ogend. Dat vond ik niet erg; ik had al niet meer op een pony of paard gezeten sinds ik 11 was.

Inishbofin Island

Opstijgen gebeurde met behulp van een betonnen blok dat door een houten zitvlak meteen ook als bankje fungeerde. Eenmaal in het zadel werd alles afgesteld en een bliksemles paardrijden gegeven. Aansporen deed je door je hielen in de flanken van de pony te drukken (‘knijpen’, als het ware), en vaart minderen deed je door een zacht maar ferm rukje aan de teugels te geven. Naast mij was er maar één andere bezoeker die een trektocht geboekt had. Zij had in een ver verleden al wel paardrijlessen gehad en de manege had haar om die reden een grotere pony, genaamd Potter, toegewezen. Voor we de manege verlieten werd ons nog even verteld dat Potter en Peggy elkaar niet zo aardig vonden, en dat we ervoor moesten zorgen dat Potter achter Peggy bleef lopen.

Onze gids heette Nelly. Nelly was oorspronkelijk een eilandbewoonster maar de afgelegenheid van het eiland had haar naar de grote stad gedreven. Ze woonde nu in Galway. ‘Maar,’ vertelde ze. ‘Als ik te lang in Galway ben, mis ik Inishbofin. Ik ben het gelukkigst met een beetje van allebei.’ Een ‘happy medium’ noemde ze het.

Inishbofin Island

De weergoden waren ons die dag goedgezind. Een dag eerder was het grijs en regenachtig geweest, maar op de dag van de trek waren de wolken langzaam overgedreven en scheen de zon over het prachtige kleurrijke eiland. ‘Het is belachelijk hoe vrolijk de Ieren zijn als de zon schijnt,’ grapte Nelly, doelend op het natte klimaat van Ierland.

Omdat we maar een uur hadden, redden we het niet naar de ruïnes van de barakken van Oliver Cromwell, die in 1649 de Commonwealth stichtte. In Cromwells tijd werden die barakken gebruikt om Katholieke geestelijken gevangen te houden tot zij verscheept werden naar afgelegen plekken zoals West-Indië. Onze route ging wel langs het ‘heksenstrand’; een rotsachtig strandje aan een groot meer dat op heldere dagen fantastisch blauw kleurt. Het strand dankt zijn naam aan de legende die vertelt dat eens in de 7 jaar een oude heks en een door haar versteende koe uit het water rijzen om te waarschuwen voor rampspoed.

Inishbofin Island

Tot zover hadden we ons voornamelijk over de smalle maar begane wegen begeven. Nu opende Nelly een hek en gingen we een nauwelijks te onderscheiden pad op. Het pad leidde omhoog, een heuvel op. Nelly instrueerde ons om naar voren te leunen als we omhoog gingen, en naar achteren als we omlaag gingen. Af en toe zette ze een draf in, waarop onze pony’s als vanzelfsprekend volgde. ‘Op en neer’, zei Nelly. ‘Meeveren met de bewegingen.’ Dat was leuk gezegd; ik had het veel te druk met in het zadel blijven zitten. Bovendien was het nog een hele klus om Potter achter Peggy te houden: Peggy bleek zo sloom als ze eruit zag, en Potter haalde ons keer op keer met gemak in.

Het sturen en aansporen daargelaten, de rit was zo goed als idyllisch. Schapen en geitjes liepen op hun dooie gemak om ons heen, kauwend, soms blatend. De hoeven van de paarden klakten als we over de stenen gedeeltes van het pad liepen.

Inishbofin Island

Een enkele keer stopten we bij iets dat leek op een willekeurige verzameling van stenen. De verzameling bleek alles behalve willekeurig; in een tijd dat heidenen niet in Katholieke kerkhoven begraven mochten worden werden pasgeboren, ongedoopte baby’s apart begraven. In dit geval vertegenwoordigde elke steen een babygraf. ‘Het is erg triest,’ zei Nelly. Ik kon haar alleen maar gelijk geven.

Uiteindelijk, na bovenop een heuveltop te hebben gestaan en uit te hebben gekeken over het prachtige eiland, leidde Nelly ons weer terug naar de manege. Afstijgen gebeurde onder aanmoediging en met behulp van het betonnen bankje. Na de rit had ik nog een uur of twee te verslijten op het eiland. Niet ver ten westen van de manege zit een restaurant met wat picknickbankjes op het gras. Er zijn niet veel eetgelegenheden op Inishbofin, dus er is een gezellige bedrijvigheid om en rond het restaurant – zeker in de zomermaanden. Zeevruchten voeren de boventoon van het menu maar ook voor een enorme hamburger draait de kok zijn hand niet om. Daar heb ik, luisterend naar het gekwetter van de bejaarde vriendinnen naast me, mijn lunch gegeten.

Inishbofin Island

De pont van 5 uur bracht me uiteindelijk terug naar Cleggan, dat na een middag onthaasten op Inishbofin ineens erg druk en modern leek. Het scherpe contrast tussen het eiland en het vaste land zit hem vooral in de hechte gemeenschap en het traditionele eilandleven dat door de eilandbewoners in stand gehouden wordt. De ‘eilanders’ houden van hun land, hun legendes, en hun brood, en ze delen hun authenticiteit graag met bezoekers. Op Inishbofin ben je niet van alle gemakken voorzien, maar wie naar Inishbofin gaat, gaat als bezoeker in plaats van toerist; voor de natuur, voor de verhalen, en voor het eilandleven.

Tekst en fotografie: Sabrina van Zwieten

Dionne

Voel jij ook die continue reishonger? Ondanks de drang nieuwe plekken te ontdekken en nieuwe mensen te ontmoeten, ben ik graag zuinig op onze aardbol en fan van duurzaam toerisme. Ik deel graag mijn ervaringen met je!

Vragen? Suggesties? Of jouw reishonger delen?

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je mag alleen HTML tags en attributen gebruiken:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>